Mondkapje

Ik loop door Albert Heijn en duw mijn kar voor me uit als een soort schild. Ik draag geen mondkapje ondanks dat het nu verplicht is, en het lijkt er op dat ik de enige ben. Ik zie allemaal halve gezichten met ogen die verstomt boven een papieren- of modieus stoffen randje uit kijken. Speurend naar gevaar. Ik meen daar ook eenzaamheid te zien, boosheid, verwarring, verdriet. Wat willen die ogen zeggen, misschien wel schrééuwen – boven die verstikkende papieren muur uit? De gevoelens en emoties van andere mensen zijn lastig te duiden wanneer de mond bedekt is. Je weet niet goed hoe je de ogen moet begrijpen als de mond niet zichtbaar is.

Het is druk bij Albert Heijn maar ik voel me alleen. Geen mens te zien. De koude anderhalve meter maatschappij heeft inmiddels een gevoelstemperatuur van vijftien meter onder nul.

Dan zie ik ineens een vrouw zonder mondkapje – net als ik. Ze komt me tegemoet, haar kar als een schild voor zich uit duwend. Maar het gezicht van de vrouw is open, en ze straalt. Als we elkaar op zo’n anderhalve meter genaderd zijn glimlacht ze breed en ik glimlach breed – meer dan anderhalve meter – terug. Het verdoofde vuur van mijn hart laait weer op en ik voel me blij in de echte nabijheid van een ander mens.

Er is verstandhouding tussen ons, en – voor even – echt contact. Het maakt me bewust van de menselijkheid die zich een weg zoekt, als een bloem door een scheur in het asfalt van de weg. Onuitroeibaar. En dat bij Albert Heijn, naast de diepvriesgroenten.

Charlie Chaplin zei in zijn film ‘The great dictator’: ‘We denken te veel, en voelen te weinig. Meer dan machines, hebben we menselijkheid nodig. Meer dan slimmigheid, hebben we vriendelijkheid en aardigheid nodig. Zonder deze kwaliteiten zal het leven gevaarlijk zijn.’

We hebben te lang gedacht dat ons rationele en objectieve denken het middel was om onze problemen op te lossen. Als je het maar snapt, beheerst, analyseert, controleert, modelleert en efficiënt maakt dan komt het goed. Het is het rationele deel van ons brein dat zo denkt. Deze ‘mensen hersenen’ zijn evolutionair gezien het jongste deel van ons brein. Een ouder deel, ons ‘zoogdierenbrein’ waar ons gevoelsleven zetelt werd lang als irrationeel en onberekenbaar gezien. Het moest gewantrouwd worden. Maar het ontkennen van dit gevoelsmatige deel, ons zoogdierenbrein, maakt dat de menselijkheid verdwijnt in de beheers modellen en statistieken. De gedachte komt dan bij me op dat juist het omarmen van onze dierlijkheid ons menselijk maakt. Zonder onze miljoenen jaren oude instinctieve liefde en wijsheid verworden we tot machines die ontsmet moeten worden van gevoelens en ontdaan van contact.

Buiten aangekomen duw ik mijn schild van me af in de lange rij met andere schilden die ontsmet worden. Maar mijn hart glimlacht en de glimlach van de vrouw voelt besmettelijk. En dat is goed aan me te zien, zo zonder mondkapje.

 

Stefan Schoenmacker

Berichtnavigatie